Inloggen

Gebruikersnaam

Wachtwoord

Onthoud mij
Wachtwoord vergeten?
Waarom elfenpaars en vuurvlinderrood?
donderdag, 26 oktober 2006
Waarom elfenpaars en vuurvlinderrood verboden kleuren zijn
Het verloren hoofdstuk van Bemint eer gij begint

'Kill (all) your darlings', luidt Faulkners' onverbiddelijke schrijfwet nummer 1. In Bemint eer gij begint betrof de wreedste executie mijn favoriete hoofdstuk 5 - wegens te mooi, te poëtisch en te persoonlijk (voor de rest van het boek) - De Verboden Kleuren.
Het werd voorafgegaan door mijn favoriete liedje aller tijden sinds mijn zestiende: David Sylvian's Forbidden Colours (ook wel: The Cult of Eurydice) - en hoewel ik het eigenlijk nog altijd spijtig vind dat juist dit lied geen hoofdstukthema van mijn eerste boek mocht worden, is het waarschijnlijk inderdaad beter dat de tekst zelf het boek niet haalde. Het is té persoonlijk, denk ik. Achter de versluiering van de fictie.
Het heette niet voor niets 'De Verboden Kleuren'...

Maar het komt - hoe versluierd ook - wel het dichtst bij een biografie van alles wat ik ter beschikking heb.


5. De verboden kleuren.

Learning to cope with feelings aroused in me
My hands held a sword buried inside of me

My love was forbidden colored…
I’ll go walking in circles while doubting the very ground beneath me
Trying to show unquestionable faith in everything,
Here am I... a lifetime away from you…
David Sylvian: ‘Forbidden Colours.’

Hoeveel tinten paars er eigenlijk bestaan, besefte ik pas toen ik er eens over nadacht. Purper en lavendel, violet, mauve, lila, fuchsia, bijna donkerrood – wijnrood en bordeaux hebben beiden een paarse gloed, tot aan bijna blauw. Pauwblauw is paarsblauw. Purper was vroeger slechts aan de Caesars voorbehouden, en in de rooms-katholieke kerk geldt dit nog steeds voor de hoogwaardigheidsbekleders. Purper is een koninklijke kleur paars.
Paars is ook de kleur van de inspiratie. Daarom is mijn werkkamer in wit en paars ingericht, hetzelfde kleurenspectrum als (voorheen) beachclub Solaris in Bloemendaal aan Zee. Zodat ik de hele winter door een stukje zomer in mijn werkkamer hou.
En paars is de kleur van de waanzin. Het is niet voor niets dat het krankzinnige genie Mr. Glass in de film Unbreakable louter paarse pakken draagt.
Paars is ook de kleur van mijn hanger van mijn grootmoeder: de paarse traan. Lang geleden het geschenk van een kroonprins aan zijn minnares.
En paars is de kleur van de verbeelding.
 
In het fin de siècle dronk iedereen absint. De groene fee wordt de drank ook wel genoemd. Absint heeft psychotropische effecten. Je bewustzijn verandert erdoor. Je kunt hallucinaties krijgen, maar ook visioenen. Het schijnt een verbijsterende ervaring te zijn, maar het is ook erg verslavend. Menig kunstenaar die de kracht van zijn verbeelding met absint besloot te voeden, heeft er zich uiteindelijk aan dood gedronken.
Wat hij en ik dronken, die eerste middag in het park, was niet groene fee, maar paarse fee. Kun je daar ook dronken van worden? Krankzinnig? Geïnspireerd? En is dat niet hetzelfde? En hoe verslavend is het eigenlijk? Het zijn vragen die ik mezelf nu pas stel. Maar misschien kunnen we dat wel beter aan Tristan en Isolde vragen. Want naar alle waarschijnlijkheid was het paarse fee. Die liefdesdrank die zij lang geleden samen dronken.

Dus dat is paars. De kleur van een verboden liefdesdrank. Daar hield ik altijd al van. Het is ook mijn moeders lievelingskleur. Net als rood. Bij mij kwam de liefde voor rood pas later. Ik weet nog dat ik Grace Kelly op tv zag, en wilde dat ik ook zo beige kon dragen. Zo koel, zo classy, zo chic. En dat afstandelijke leek me ook best gemakkelijk. Maar in beige zie ik eruit alsof ik aan een of andere slopende ziekte lijd. Pas op mijn achttiende droeg ik voor het eerst een rode jurk. Rood heeft ook wel iets strijdlustigs, realiseerde ik me: ik-laat-niet-met-me-sollen-rood. Nu hou ik van alle kleuren in het roodspectrum. Net zo caleidoscopisch als mijn stemmingen soms zijn. Maar mijn favoriete roodtint is niet het rood van mijn jurk op mijn achttiende verjaardag. Want hoewel het soms precies dezelfde kleur heeft, is dat vuurvlinderrood.

De vooravond van koninginnedag. Voor wie het pentagram draagt ook wel Beltane genaamd: het feest van de lente, levenslust, vruchtbaarheid en het eeuwige verlangen. Het is tevens de nacht dat ik X vertelde waarom vuurvlinderrood, net als elfenpaars, een van de verboden kleuren is.

* * *

Het lege zand met de omgevallen dennen. Waar de wind vrij spel heeft, en niets beklijft. Waar hij vandaan komt. En het donkere woud waar de wortels diep de grond ingaan… De paarse heide, de bosbeekjes en de stille poelen, verborgen in het kreupelhout. Waar ik vandaan kom. Werelden apart, maar hun grenzen gaan in elkaar over en de wind waait overal. Hangt er weleens mist over de uitgestrekte zandgronden, schreef ik hem. Fijne wolken waterstof waarin het schijnsel van de dwaallichten lumineus uitwaaiert? Zodat de nevels op magische wijze oplichten in de nacht? Soms zijn ze te zien, ’s avonds laat of ’s ochtends vroeg, als er mist hangt over de weilanden die zich uitstrekken naast het lint van dorpjes temidden van de bossen. Of als de rand van het woud getooid wordt met een sluier van witte nevels. Kijk dan uit, nietsvermoedende reiziger. Bij het licht van dwaallichten en vuurvlinders in de mist, ruisen dromen in iedere boomtop en biedt iedere heuvel toegang tot een andere wereld.
Ook in de stad zijn die magische lichten soms te zien. Soms, als de mist laag hangt en het straatlicht diffuus wordt in de nevel. Of als de maan bleek licht over de wereld werpt. Of tijdens een wit uur aan het water. En altijd voor wie met de ogen van de fantasie wil kijken. Ik woonde niet in het woud. Dat was Victor. Maar aan het lint naar de andere dorpen, tussen de weilanden. Vanuit mijn ouderlijk huis gezien was het donkere bos niet meer dan een zwarte rafelrand aan de horizon. Ver verwijderd, en toch zo dichtbij.
Achter ons huis ligt een grote tuin: terrassen en klinkers en een gazon, omzoomd door hoge populieren. Met de jasmijn ooit als geurend middelpunt. En achter onze tuin begint het niemandsland: een ledig stukje grond waar het onkruid welig tiert. Daar groeit een wirwar van takken uit de grond: wilgentakken onontwarbaar met die van de heilige eik. Het zijn slechts de boomtoppen die boven de aarde uitsteken, want de wortels en de stammen verdwijnen diep onder de grond. Innig met elkaar verstrengeld en diep als het oerbos. Daar, onder die takken, daar ademt de wereld ware stilte. En wie daar staat… die denkt vreemde gedachten.
Aan de andere kant van het huis, aan de overkant van de weg, daar liggen lege velden waar de koeien grazen, tot aan de horizon, met de donkere contouren van de bosrand in het verschiet. Daar, op de vlakte, had de storm altijd vrij spel. En dan keken we met zijn allen uit het raam, naar het rondrazende onweer. Entertainment voor het hele gezin, beter dan tv: hoge vaalgroene hemels met wolken in grijsgroen en antraciet, rafelige bliksemschichten die het groene spectrum in felle lichtflitsen uiteenscheurden, het gerommel van de donder. De elektriciteit in de lucht deed me altijd tintelen van opwinding. Vuurvlinders, fladderend in mijn bloed.
En later, toen het misging in het donkere bos nadat de maan bloedrood aan de hemel had gestaan, en mijn moeder me wanhopig toeschreeuwde waar ik nu weer uitgehangen had vannacht, toen hoorde ik in mijn hoofd de overslaande, uitzinnige stem die riep: ‘hoer, hoer, waarom verdwijn je niet?’ En dan voelde ik weer die vingers die me mijn waardigheid ontnamen, maar ik zei niets. Ik had niets te zeggen. Alleen vergetelheid. In plaats daarvan pakte ik dan mijn brommertje, en ik vertrok, in de woedende storm. En dan reed ik naar een meer in de buurt. Of liever: een reeks zandafgravingen die nu onder water staan.
In de zon is het er mooi en sereen. Dan rij je tussen hoge bomen terwijl het zonlicht speelse vlekjes over het bospad werpt, en tussen de donkere stammenrijen schemeren stille meren met waterlelies. Braamstruiken, zwaar van donkerrode vruchten, hangen over het pad. En voorbij het bos, in de zon, blinkt het water van de zandafgravingen waar verraderlijke draaikolken en koude onderstromingen al heel wat slachtoffers onder onvoorzichtige zwemmers hebben gemaakt. De enige plas waarin gezwommen kan worden, is aan bijna alle kanten omringd door struikgewas. Maar als je het lef hebt om erdoorheen te breken, kom je bij een lieflijk kabbelend beekje uit: ijskoud water met een klein watervalletje, dat het meer instroomt. Daarboven kun je op warme zomernachten de elfen zien dansen.
In de storm is het heel wat minder lieflijk daar. Dan buigen de boomtoppen bijna horizontaal, en de lucht is donkergroen en donkergrijs; de wind raast vrij over het wateroppervlak, golven klotsen woest tegen de oever. Toen ik zeventien was, en voor het eerst depressief, wenste ik daar dat ik niet meer zou bestaan. Dat ik zou oplossen in de storm, en met de wind over het land heen zou blazen. Geen Nina meer, alleen nog maar natuurkracht. Maar nu is alles anders. Nu is de storm weer zoals ze altijd was, sinds de eerste keer dat de vuurvlinder haar vleugels spreidde. Vliegen deed ze toen nog niet; haar vleugels waren nog niet sterk genoeg. Nu wel.
Hoop ik.
En waar tijd en ruimte vervagen, daar ontmoet ik hem. Tussen bos en veld, in het hoge gras als de zon nog schijnt. Het is een warme zomerdag, en het hoge gras geurt naar zaad, kruidig en bedwelmend. We zeggen niets, want we lezen elkaars gedachten. Er zijn geen woorden, alleen het water kabbelt voort, verder is het stil.
Zwijgend, trillend, liggen we naast elkaar in het gras, onze armen om elkaar heen, onze gezichten naar de hemel opgeheven, heel dichtbij elkaar, onze lichamen nauwelijks rakend.
Hij draait zich op zijn zij, ik voel zijn lippen op de mijne. Onze omhelzing wordt intiemer, zijn aanraking doet me gloeien als de eerste keer dat ik in het gras lag, maar dat ben ik nu vergeten. Niets heeft nog een naam, en zeker niet degene met wie ik daar ooit eerder in het gras lag. Net als alles in droomtijd, behalve hij. Ik fluister zijn naam als ik zijn lippen voel branden in mijn hals.
Mijn vingers glijden door zijn haar, langs zijn rug, nat van zweet, en sidderend van verlangen. Hij richt zich op en houdt mijn ogen vast met zijn blik. Vlinder, smeulend in mijn binnenste, ontvlamt. Vuurvlinderrood verspreidt zich, vleugels spreiden zich, omvatten ons, ik slaak een lichte kreet. Hij en ik verstrengeld als de wilg en eik in niemandsland, onze takken zuchtend in elkaars omarming, en als de wereld stopt met draaien, zijn we niet meer van elkaar te scheiden. Ik hoor zijn hijgen in mijn oor als de vuurvlinder me van binnen vervult en de vonk in mijn lichaam een vulkaaneruptie wordt. Ik vlieg.
Ik weet dat ik in zijn armen veilig vliegen kan, zonder bang te hoeven zijn dat mijn wieken in de vlam verschroeien. Ik zal niet met zwartgeblakerde vleugels in een peilloze put dwarrelen, uit alle macht hopend dat de luchtstroming in de schacht me zal optillen voordat ik de bodem raak: koud en donker als de dood. Want hij is de wind die het zand naar andere werelden brengt. Op hem stijg ik hoger en hoger in de zon: naar het paradijs van de verbeelding dat tussen wolken zweeft. Waar de mooie dromen worden geboren.
 
Ik open mijn ogen als onze lichamen zich eindelijk ontspannen, en hij in mijn armen zinkt; het vuur geblust, maar het dooft niet. Het leven klopt nog altijd in onze aderen.
Ik was altijd vuur, en lucht, en water. Altijd rusteloos. Nu heb ik ook mijn eigen wortels gevonden die diep de grond ingaan, en me voedsel tot schrijven geven.
Even ben ik bang. Dat ik hem te ver het pad heb afgelokt. Maar hij lacht en is nog altijd dichtbij. We zijn in l’autre monde samen zonder dat het echt gebeurde, zegt hij. We zijn van elkaar bezield.
En dat is de bezieling van de vuurvlinder.
Schreef ik hem.


Toon reacties (5) - Reageer...